Verantwoord (uit)lenen

2.1 a Eigen verantwoordelijkheid 

Een bank vraagt bij het verstrekken van een geldlening onder andere naar de hoogte van het salaris van de schuldenaar (voor veel mensen een gevoelig onderwerp). Bij de familiebank gebeurt dat niet altijd. Daarom rust er bij een geldlening binnen de familie een extra verantwoordelijkheid op de schuldenaar om te voorkomen dat hij door de lening in financiële problemen komt. Dat zou niet alleen voor hemzelf problematisch zijn, maar ook voor de schuldeiser. Ouders zullen zich immers zeer bezwaard voelen om over te gaan tot invordering van de schuld als het water hun zoon of dochter aan de lippen staat.  

2.1 b Gedragscode hypothecaire financieringen 

Ouders zullen zelden zo vermogend zijn dat ze hun kind het hele aankoopbedrag voor een woning kunnen lenen. Vaak is er dus ook een lening van  de bank nodig. 

Als banken een hypotheeklening verstrekken voor een eigen woning, zijn ze gebonden aan de Gedragscode hypothecaire financieringen. Het doel van de gedragscode is te voorkomen dat de woonlasten een te groot deel van het inkomen van de schuldenaar opslokken, waardoor de schuldenaar het risico loopt dat hij niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Zoals gezegd kan dat zowel voor de schuldenaar als voor de  schuldeiser tot problemen leiden. 

Het NIBUD stelt jaarlijks voor de Nationale Hypotheek Garantie (NHG; zie ook par. 3.5g) ‘woonlastnormen’ op die aangeven hoeveel procent van het inkomen iemand bij een bepaalde rentestand verantwoord aan woonlasten kan betalen. Die woonlastnormen zijn ook voor de gedragscode van belang. In de gedragscode wordt niet alleen gekeken naar het bedrag dat het kind van de bank leent, maar ook naar wat hij van anderen – zoals zijn  ouders – leent. De gedachte is dat ook aan de ouders rente en aflossing betaald moet worden, die ook als woonlasten meetellen. 

Maar als de ouders de rente en/of aflossing die ze van hun kind ontvangen elk jaar geheel aan het kind terugschenken, leidt de geldlening van de ouders in de praktijk niet tot woonlasten voor het kind. Het probleem daarbij is dat een voornemen van de ouders om de rente en/of aflossing van jaar tot jaar terug te schenken, niet wordt meegewogen bij het vaststellen van de woonlastnormen. Dat voornemen van de ouders biedt – juridisch gezien – namelijk geen enkele zekerheid voor het kind. Als de ouders het geld zelf nodig hebben of ruzie krijgen met het kind, is de kans groot dat het  voornemen bij een voornemen blijft. Met andere woorden: de aan de lening verbonden kosten tellen toch mee voor de woonlasten. 

Als de ouders niet alleen het voornemen uitspreken, maar een concrete toezegging doen om de rente en/of aflossing van jaar tot jaar terug te schenken, tellen de rente en/of aflossing voor de gedragscode niet als woonlasten mee. Maar de toezegging om de rente en/of aflossing voortaan jaarlijks terug te schenken aan het kind wordt door de fiscus gezien als een schenking ineens van al die toekomstige schenkingen, en daarover moet het kind dan direct schenkbelasting afrekenen.  

 Teruggeschonken rente Marieke leent van haar ouders €50.000 tegen een rentepercentage van 4%. Jaarlijks moet zij dus €2000 aan rente aan haar ouders betalen. Als haar ouders dit bedrag van jaar tot jaar terugschenken, blijven deze ‘terugschenkingen’ steeds binnen de jaarlijkse vrijstelling voor schenkbelasting van €5277 (zie par. 4.1b). Maar als de ouders in 2015 de toezegging doen om de rente de komende 20 jaar steeds terug te schenken, telt die €2000 gewoon mee voor de woonlasten en wordt die toezegging dat jaar gezien als een schenking ineens van 20 x €2000 = 

 €40.000. Daarover moet dan €3472 schenkbelasting worden betaald. 

In deze berekening is overigens geen rekening gehouden met de contante waarde; in de praktijk zal de aanslag voor de schenkbelasting daardoor lager zijn. 

Een alternatief is dat de ouders het benodigde bedrag niet uitlenen, maar schenken. Schenkingen zijn in principe belast met schenkbelasting (zie par. 4.1a en 4.1b voor de tarieven en vrijstellingen), maar als de begiftigde een kind van de schenker(s) is en tussen de 18 en 40 jaar oud is, kan hij gebruikmaken van de eenmalige vrijstelling van €52.752. Een schenking is echter niet altijd gewenst en bovendien wordt het voordeel van de hypotheekrenteaftrek daarmee niet benut.  

2.1 c Rekening houden met toekomstige situaties bij de schuldenaar 

Een lening geeft een maandelijkse verplichting voor betaling van rente en vaak ook aflossing. Bij het beoordelen of dit binnen het budget past, moet niet alleen naar de huidige situatie worden gekeken, maar ook rekening worden gehouden met mogelijke toekomstige scenario’s, zoals werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, de komst van kinderen of een echtscheiding. Zie hiervoor ook hoofdstuk 5. 

2.1 d Rekening houden met de behoeften van de schuldeisers 

Maar ook degene die het geld uitleent, moet zich afvragen of hij het geld wel echt voor langere tijd kan missen. Wat als de schuldeiser werkloos wordt? Of als zijn pensioenfonds gaat korten op de uitkering? Of als hij plotseling geconfronteerd wordt met kosten voor zorg? Je kunt iedere euro maar één keer uitgeven. En een uitgeleende euro kun je niet gebruiken om bijvoorbeeld particuliere verpleging te betalen als de van overheidswege gesubsidieerde zorg tekort blijkt te schieten. 

 LET OP Denk ook hieraan 

Als mensen wat ouder worden, willen ze soms al een deel van hun vermogen overhevelen naar de kinderen om te voorkomen dat ze in de toekomst een hoge ‘eigen bijdrage’ voor de zorgkosten moeten betalen. Die eigen bijdrage is namelijk indirect afhankelijk van het vermogen (zie ook ‘Mijn vermogen en de AWBZ’ uit deze serie). Maar de keerzijde is dat als de zorg die door de overheid (op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet langdurige zorg) wordt betaald, tekortschiet (voor menigeen is één keer per week douchen een schrikbeeld), je geen geld meer hebt om zelf (particuliere) zorg in te kopen. Als ouder vertrouw je er dan misschien op dat je kinderen wel zullen bijspringen, maar 100% zeker is dat nooit. En als ze dat wel willen, maar het geld dat ze van hun ouders hebben gekregen of geleend in hun huis hebben gestopt, kunnen ze niet bijspringen, al zouden ze dat nog zo graag willen. 

Bovendien moeten de ouders vooraf nadenken over de vraag of er een risico is dat ze het uitgeleende geld niet, of pas later dan afgesproken terugkrijgen: hoe groot is dat risico en wat zouden de gevolgen daarvan zijn?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *