Geld uitlenen aan een kind met een partner

Waar moet u rekening mee houden als het kind aan wie u geld wilt uitlenen een partner heeft? 

3.4 a Gemeenschap van goederen 

De eerste vraag die u zich moet stellen, is of er tussen uw kind en zijn partner een gemeenschap van goederen bestaat. Als uw kind gehuwd is of een geregistreerd partnerschap heeft, is er in beginsel sprake van een gemeenschap van goederen (ook wel ‘huwelijksgoederengemeenschap’ genoemd). Dit kan anders zijn als uw kind bij notariële akte huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden heeft laten opstellen; dit hangt  af van de inhoud van die akte. 

Als uw kind niet gehuwd is en geen geregistreerd partnerschap is aangegaan, is er geen sprake van een gemeenschap van goederen; ook niet als uw kind en zijn partner een samenlevingscontract hebben laten opstellen. Wel is denkbaar dat uw kind en zijn partner in het samenlevingscontract hebben afgesproken dat ze hun inkomen samenvoegen; maar deze bepaling heeft doorgaans geen betrekking op het vermogen van beide partners (maar mogelijk wel op het rendement op het vermogen, zoals rente op spaargeld). 

 Fiscaal partnerschap vs geregistreerd partnerschap 

Het fiscaal partnerschap is iets anders dan een geregistreerd partnerschap. Een geregistreerd partnerschap wordt, net als een huwelijk, aangegaan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Fiscaal partnerschap is een term uit de inkomstenbelasting; zowel gehuwden, geregistreerd partners als samenwoners kunnen fiscale partners van elkaar zijn. 

Als uw kind in gemeenschap van goederen is gehuwd of als partner is geregistreerd, zijn niet alleen alle bezittingen gemeenschappelijk, maar ook alle schulden. Stel dat de partner van uw kind schulden heeft (bijvoorbeeld een restschuld van een vorige woning of een studieschuld), dan kan de schuldeiser van uw schoonkind zowel de bezittingen van uw schoonkind als de bezittingen van uw eigen kind uitwinnen. De kans dat u het geld dat u aan uw eigen kind heeft uitgeleend terugkrijgt, is dan kleiner. U moet dan immers ‘concurreren’ met andere schuldeisers. 

Omgekeerd geldt dat als uw schoonkind geen schulden maar wel bezittingen heeft, u in het uiterste geval ook die bezittingen zou kunnen uitwinnen als uw kind zijn lening niet netjes terugbetaalt. Het is overigens de vraag of dat uw relatie met het schoonkind ten goede komt. 

3.4 b Uitlenen aan kind, of aan kind én partner? 

Als uw kind samen met zijn partner een woning koopt, kan het verstandig zijn om de lening zowel aan uw kind als aan zijn partner te verstrekken. 

 Als banken geld uitlenen, verlangen ze vaak dat beide partners hoofdelijk aansprakelijk worden voor de schuld. 

Hoofdelijk aansprakelijk betekent dat beide partners voor de gehele schuld aansprakelijk zijn, ook al zijn ze in hun onderlinge verhouding ieder slechts draagplichtig voor de helft van de schuld. Voor de schuldeiser is hoofdelijke aansprakelijkheid prettig, omdat hij bij beide partners kan aankloppen om de gehele schuld te incasseren. Maar voor de schuldenaren is dat uiteraard minder prettig. Zeker bij uit elkaar gaan. 

3.4 c Kind en partner gaan uit elkaar 

Als ouders geld hebben uitgeleend voor de eigen woning van het kind, is het afhankelijk van de situatie wat de gevolgen van een relatiebreuk zijn. 

Als het kind en zijn partner samen eigenaar zijn van de woning, ieder voor de helft, zijn er drie scenario’s als ze uit elkaar gaan: 

  1. ze verkopen de woning aan een derde; 
  2. de woning wordt toegedeeld aan het kind (hij koopt zijn partner uit); of 3. de woning wordt toegedeeld aan de partner van het kind (uw kind wordt uitgekocht door zijn partner). 

 Scheiding en gemeenschappelijke woning (1) 

Piet en Marie wonen samen en hebben een samenlevingscontract. Ze zijn samen eigenaar van een woning. Ze hebben de woning in 2013 gekocht voor €400.000 en samen €300.000 geleend bij de bank. Marie heeft €100.000 geleend bij haar ouders. Alleen zij is hiervan de schuldenaar. 

Omdat ze ieder voor de helft eigenaar van de woning zijn, hadden beide partners eigenlijk €50.000 in de woning moeten investeren. Marie heeft dus €50.000 te veel in de woning geïnvesteerd en heeft een vordering van €50.000 op Piet. Dit wordt ook wel een ‘vergoedingsvordering’ 

 genoemd. De vergoedingsvordering is in beginsel nominaal, dat wil zeggen: niet afhankelijk van waardestijging of -daling van de woning. In 2015 gaan Piet en Marie uit elkaar en ze verkopen de woning voor €440.000. Uit de verkoopopbrengst wordt de gezamenlijke schuld aan de bank afgelost. Er blijft dan €140.000 over. Dit bedrag wordt 50/50 verdeeld over beide ex-partners; ze krijgen dus elk €70.000. Piet moet vervolgens €50.000 aan Marie betalen. Piet houdt €20.000 over en Marie – nadat zij de €100.000 aan haar ouders terugbetaald heeft – hetzelfde bedrag. 

Maar wat nu als de woning in waarde is gedaald? 

 Scheiding en gemeenschappelijke woning (2) 

Piet en Marie zijn samen eigenaar van een woning. Ze wonen samen en hebben een samenlevingscontract. Ze hebben de woning in 2007 – vlak vóór de huizencrisis – gekocht voor €400.000 en samen €300.000 geleend bij de bank. Marie heeft €100.000 geleend bij haar ouders. Alleen zij 

 is hiervan de schuldenaar. 

Omdat ze ieder voor de helft eigenaar van de woning zijn, hadden beide partners eigenlijk €50.000 in de woning moeten investeren. Marie  heeft dus €50.000 te veel in de woning geïnvesteerd en heeft daarom een vordering van €50.000 op Piet. 

In 2015 gaan Piet en Marie uit elkaar en ze verkopen de woning voor €340.000. Uit de verkoopopbrengst wordt de gezamenlijke schuld aan de bank afgelost. Er blijft dan €40.000 over. Dit bedrag wordt 50/50 verdeeld over beide ex-partners, ze krijgen dus allebei €20.000. Piet moet vervolgens €50.000 aan Marie betalen. Hij heeft maar €20.000 en houdt dus een schuld van €30.000 aan Marie. Marie kan maar €40.000 aan 

 haar ouders terugbetalen en houdt dus een restschuld van €60.000 aan haar ouders. 

Als zowel Marie als Piet schuldenaar waren geweest, had het plaatje er anders uitgezien, namelijk als volgt. Uit de verkoopopbrengst wordt de gezamenlijke schuld aan de bank afgelost. Er blijft dan €40.000 over. Met die €40.000 lossen Piet en Marie een deel van de schuld aan de ouders van Marie af. Ze houden een schuld van €60.000 aan de ouders over. In hun onderlinge verhouding zijn ze ieder voor de helft draagplichtig voor die restschuld, dus ieder is nog €30.000 schuldig aan de ouders van Marie. Als in de leningsovereenkomst stond dat beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn, kunnen de ouders hun ex-schoonzoon Piet aanspreken voor het hele bedrag van €60.000! Piet moet dan maar zien of – en hoe – 

 hij €30.000 van Marie terugkrijgt. 

 Vergoedingsvorderingen tussen gehuwden 

Als Piet en Marie gehuwd waren op huwelijkse voorwaarden, of als het geld dat Marie in de woning heeft geïnvesteerd om een andere reden niet gemeenschappelijk was (bijvoorbeeld omdat ze het onder uitsluitingsclausule geërfd had), stijgt of daalt haar vergoedingsvordering mee met de waardeontwikkeling van de woning. Dit geldt alleen voor vergoedingsvorderingen tussen gehuwden en geregistreerde partners die na 1 

 januari 2012 zijn ontstaan. 

De regeling van de vergoedingsrechten is tamelijk ingewikkeld; er zijn veel uitzonderingen op de hoofdregel. Ook de inhoud van de huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden kan een rol spelen. Raadpleeg daarom altijd een notaris of advocaat die gespecialiseerd is in het familievermogensrecht. 

Uit dit voorbeeld blijkt duidelijk hoe belangrijk het is om de zaken goed vast te leggen. Zeker als men bedenkt dat een op de drie huwelijken in  een echtscheiding eindigt (voor samenwoners die niet gehuwd zijn ligt het percentage nog hoger). 

Vóór de huizencrisis stegen woningen eigenlijk alleen maar in waarde. Er was dan minder snel sprake van een restschuld. Maar die problematiek doet zich tegenwoordig steeds vaker voor. Het gevolg kan zijn dat de ex-partners, of één van hen, geen nieuw huis meer kunnen of kan kopen. 

3.4 d Fiscale partners of niet? 

Als het kind en zijn partner fiscaal partner voor de inkomstenbelasting zijn, maakt het voor de hypotheekrenteaftrek niet uit of het kind alleen  of samen met zijn partner schuldenaar is. 

Als het kind en zijn partner geen fiscale partners van elkaar zijn (een situatie die overigens niet vaak voorkomt), kan het voor hen interessant zijn als de geldleningsovereenkomst zowel met het kind als zijn partner is aangegaan (zie het voorbeeld in het kader). De rente die over de geldlening wordt betaald, is dan namelijk alleen aftrekbaar naar rato van de eigendomsverhouding. Als ze samen een woning kopen, zullen de eigendomsverhoudingen in de regel 50/50 zijn. Zou slechts één van beiden schuldenaar zijn, dan lopen ze dus de helft van de hypotheekrenteaftrek mis. 

 Geen fiscale partners 

Miep en Flip hebben een huis gekocht van €100.000, waarbij ze ieder voor de helft eigenaar van de woning zijn geworden. Ze zijn geen fiscale partners van elkaar. Miep heeft €100.000 van haar ouders geleend voor aankoop van de woning. Aangezien zij voor de helft eigenaar  is, wordt slechts €50.000 beschouwd als eigenwoningschuld waarover zij de rente in aftrek mag brengen. Als Miep en Flip samen geld van Mieps ouders hadden geleend, was de volledige rente aftrekbaar geweest.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *